Maarten!

Korzeligheid en kortetermijnbelang

(verschenen in Maarten!, nummer 4, december 2017

De Nederlandse opstelling tegenover Europa, en de Europese Unie, is in de afgelopen twee decennia steeds korzeliger geworden. Hoewel het land een van de zes Founding Fathers was van de Europese Economische Gemeenschap, is er in Den Haag nauwelijks nog sprake van enig Europees idealisme, of zelfs maar van een consistente en wervende visie omtrent de toekomst van de EU. Nederland heeft, in de woorden van premier Rutte, geen behoefte aan ‘Europese vergezichten’.
  Achter deze korzeligheid gaat een uitgesproken neoliberale koers schuil. In de afgelopen jaren sloot Nederland graag aan bij de anti-Brusselse scepsis en pleidooien voor nog meer marktwerking zoals die werd uitgedragen door Groot-Brittannië. Premier Cameron werd in Den Haag geprezen voor zijn pogingen de EU te hervormen, met ‘minder Brussel’ en ‘minder regels’. De Europese Unie moest vooral een gemeenschappelijke markt blijven, waarbinnen de bewegingsvrijheid en bestaanszekerheid van internationaal opererende bedrijven en banken vooropstonden (in de veronderstelling dat dat groei zou opleveren).
  Daarnaast, en enigszins in tegenspraak met dit vrijemarktdenken, steunt Nederland al jaren de door Duitsland nagestreefde harde aanpak van eurolanden die in financiële problemen verkeren. Om vooral de Zuid-Europese eurolanden in het gareel te houden (en te dwingen tot bezuinigen, loonsverlaging, deregulering en dergelijke) moeten EU-bevoegdheden desnoods toch maar worden uitgebreid.
  De minimalistische visie op de toekomst van Europa is inmiddels meer dan kortzichtig. De Europese landen worden immers geconfronteerd met grote gemeenschappelijke problemen. Denk aan: groeiende sociale ongelijkheid, milieuvervuiling, migratie, bedreiging van de veiligheid. Het is evident dat dergelijke zaken alleen door samenwerking effectief kunnen worden aangepakt. De wereldeconomie wordt bovendien steeds competitiever, en ook daarom is een actieve rol voor de Europese Unie vereist. En wat te denken van de internationaal-politieke conflicten aan de grenzen van de Unie?
  Nu is de Europese Unie geen populaire instelling. Het ideaal van Europese eenheid, dat is ontstaan direct na de Tweede Wereldoorlog (dus zo’n 70 jaar geleden), heeft voor velen geen betekenis meer. Veel Europeanen wantrouwen Brussel. Dat komt doordat de EU wordt geïdentificeerd met vrijemarktbeleid, met deregulering en privatisering, en vooral in Zuid-Europa met bezuinigingen. Dat wantrouwen is begrijpelijk: de Europese Unie heeft zich – overigens op instigatie van de leidende lidstaten – sinds de jaren negentig vooral ontwikkeld tot een dwangmechanisme dat verplicht tot een neoliberaal beleid. Toch is er niet alleen reden voor pessimisme. Uit opiniepeilingen blijkt dat een aanzienlijke meerderheid van de Europeanen nog steeds denkt dat de grote problemen van deze tijd alleen door gemeenschappelijk EU-optreden kunnen worden aangepakt.
  Een pleidooi voor versterking van de EU-instellingen, zoals recentelijk gehouden door de voorzitter van de Europese Commissie (de christendemocraat Juncker), schiet velen evenwel in het verkeerde keelgat. En terecht. Veel Europeanen willen niet meer van hetzelfde. De EU zal zich veel meer moeten richten op de zorgen van veel Europeanen en zal haar neoliberale oriëntatie moeten wijzigen. Dat zal wellicht moeten gebeuren op basis van meer flexibiliteit (coalitions of the willing) en niet zozeer op basis van de door Juncker voorgestelde verdere centralisering.
  Nederland laat het in dit opzicht vooralsnog afweten. De Nederlandse opstelling heeft juist bijgedragen aan een verdere ontwikkeling in neoliberale richting, die de krachtige lidstaten, de economisch sterken, de grote bedrijven en banken, ten goede komt. Daarnaast heeft Nederland vooral economisch eigenbelang nagestreefd. We willen zo min mogelijk afdragen aan de EU, de Nederlandse risico’s binnen de eurozone beperken, geen solidariteit maar voordeeltjes binnenhalen, ook al gaat dat ten koste van andere lidstaten. Bijvoorbeeld door fiscale voordelen aan te bieden aan multinationale ondernemingen, waardoor de inning van belastingen elders vaak wordt bemoeilijkt (Nederland is in dit opzicht – net als enkele andere kleine EU-landen – een ordinair belastingparadijs).
  Het ziet er niet naar uit dat deze cynische opstelling verandert. Nadat het Verenigd Koninkrijk voor een Brexit had gekozen, deed het kabinet-Rutte II recentelijk opvallende pogingen om nieuwe neoliberale, tegen versterking van ‘Brussel’ gerichte coalities te sluiten. Daartoe werden zelfs handreikingen gedaan naar sommige uitgesproken rechtse Oost-Europese landen, zoals Hongarije en Polen.
  Ook van het zojuist aangetreden centrumrechtse derde kabinet-Rutte valt op het eerste gezicht niet veel te verwachten. In het regeringsprogramma wordt erkend dat belangrijke kwesties als migratie en klimaat om gemeenschappelijk Europese initiatieven vragen. Dat is voor sommige commentatoren een argument om het nieuwe kabinet pro-Europees te noemen. Maar verscheidene concrete punten die het regeringsprogramma noemt, zijn overwegend van negatieve aard (géén eurobonds, géén stabilisatiemechanisme, géén schuldsaneringen in de eurozone zoals door velen bepleit). Het is dus waarschijnlijk vooral aan de progressieve oppositiepartijen om een constructieve en wervende Nederlandse visie te ontwikkelen op de toekomst de Europese Unie. Dat wordt in elk geval hoog tijd.

Nucleair Schimmenspel

(verschenen in Maarten!, nummer 3, septmber-oktober 2017)

Zoals iedereen weet, zijn er kernwapens gestationeerd op Nederlands grondgebied. Een stuk of twintig, op vliegbasis Volkel. De regering houdt zich evenwel al decennia van den domme. Ze weigert zelfs het bestaan van de wapens te erkennen.
  Tegen deze achtergrond heeft Nederland zich bijzonder vreemd gedragen in de onderhandelingen over een VN-verdrag dat een volledig verbod van kernwapens inhoudt. Op nadrukkelijk verzoek van de Tweede Kamer deed een Nederlandse delegatie aan die onderhandelingen mee, als enige NAVO-land. De andere leden weigerden. Maar toen puntje bij paaltje kwam, stemde Nederland op 7 juli jongstleden tegen de aanvaarding van dit Nuclear Prohibition Treaty. Het verdrag werd niettemin aangenomen, met meer dan 120 stemmen voor, een onthouding (Singapore) en de Nederlandse als enige tegenstem.
  Nu is het geen wonder dat Nederland het voorstel afwees. Artikel 1, lid g van het verdrag zou ons in een onmogelijke positie hebben gebracht. Want dat verbiedt de ondertekenende landen toestemming te geven om kernwapens van andere staten op hun grondgebied op te slaan. Achteraf legde de regering aan de Tweede Kamer uit dat ondertekening strijdig was geweest met de Nederlandse NAVO-verplichtingen. Bovendien meende de regering dat het Prohibition Treaty eigenlijk niet effectief, en zelfs contraproductief was. Over de kernwapens in Volkel in de betreffende brief aan de Kamer natuurlijk geen woord.
  Er zijn negen landen in de wereld die zelfstandig over nucleaire wapens beschikken. Daarbovenop hebben vijf landen (allemaal NAVO-leden) Amerikaanse kernwapens op hun grondgebied, namelijk Italië, Turkije, Duitsland, België en dus Nederland. We behoren dus tot een exclusief gezelschap.
  De Amerikaanse kernwapens zijn in Nederland gestationeerd aan het einde van de jaren vijftig. Daar is indertijd nauwelijks debat over gevoerd. Dat valt – gezien de dramatische internationale omstandigheden van toen – nog enigszins te begrijpen. Maar tot op de dag van vandaag gaat de Nederlandse regering elke discussie uit de weg. En dat is langzamerhand onverdedigbaar. Het gaat immers over een belangrijk vraagstuk. Is het nog wel nodig dat er Amerikaanse kernwapens in Volkel liggen?
  En wie beschikt eigenlijk over hun inzet? Die beslissingsbevoegdheid is voorbehouden aan de bevelhebber van de Amerikaanse strijdkrachten, dat wil zeggen aan de Amerikaanse president. Aan Donald Trump dus. En dat is geen aangename gedachte gezien diens onverantwoordelijke nucleaire dreigementen tegenover Noord-Korea.
  Er wordt soms gedaan alsof de kernwapens in Volkel oud roest zijn, alleen maar van symbolische betekenis. Dat is niet juist. Ze worden momenteel door de Amerikanen gemoderniseerd als onderdeel van een soort nucleaire wapenwedloop. Nederland is dus een van de weinige landen in de wereld die moderne en inzetbare kernwapens op hun territoir hebben gestationeerd. Die wapens zijn weliswaar Amerikaans eigendom, maar ze zullen in oorlogstijd naar alle waarschijnlijkheid worden overgedragen aan de Nederlandse krijgsmacht en gemonteerd onder Nederlandse vliegtuigen.
  In juli 2013 hebben twee oud-premiers, Ruud Lubbers en Dries van Agt, in het openbaar het bestaan van de Amerikaanse wapens bevestigd. Een moedige daad. Ze werden (gelukkig) niet vervolgd, al was een van de redenen mogelijkerwijs dat vervolging erkenning van het bestaan van de kernwapens met zich mee zou kunnen brengen.
  Wie, als historicus, inzage wil krijgen in documenten die betrekking hebben op de kernwapens, raakt eveneens in een bizar schimmenspel verzeild. In sommige gevallen worden verzoeken om archiefstukken in te zien niet eens in behandeling genomen, omdat een dergelijke procedure als bevestiging van het bestaan van die wapens kan worden geïnterpreteerd. Maar uiteindelijk weigeren de betreffende ministeries vrijwel altijd toestemming voor inzage.
  De Amerikanen zelf zijn inmiddels heel wat genereuzer in het openbaar maken van zulke documenten. Dat geldt ook voor andere NAVO-landen.
  Een Nederlandse onderzoeker die nagenoeg alle relevante Amerikaans-Nederlandse verdragen en onderliggende overheidsstukken in zijn bezit heeft (vooral uit archieven in de VS), kreeg recentelijk wederom geen toestemming om aanvullende Nederlandse documenten in te zien. Zowel Buitenlandse Zaken als Defensie weigerde dat. Een rechtszaak mocht niet baten, omdat de rechtbank gemakshalve de kant van de regering koos. De onderzoeker gaat nu waarschijnlijk naar de Raad van State.
  Het wordt tijd dit rookgordijn eens weg te blazen en een serieuze discussie te voeren over het Nederlandse beleid ten aanzien van kernwapens. En vooral ten aanzien van de kernwapens in Volkel. We hoeven ons wellicht niet zo druk te maken als eertijds om de kruisraketten, maar een echt politiek debat is op zijn plaats. Om die discussie te onderbouwen, moeten de betreffende archieven open worden gesteld voor historisch onderzoek. Ook dat hoort bij democratie.

 

Trumps grimmige wereld

(verschenen in Maarten!, nummer 2, mei-augustus 2017

De politieke wanorde die in Washington heerst, houdt de gemoederen bezig. Heeft Trump de regie wel in handen? Wie trekt er aan de touwtjes? Het lijkt soms wel of de verhoudingen in de wereld worden bepaald door de intriges in en om het Witte Huis. 
  Maar dat is een misverstand. Het is eerder andersom. Er hebben zich in de afgelopen twintig jaar grote, structurele verschuivingen voorgedaan in de wereldpolitiek en wereldeconomie. Ook de positie van de Verenigde Staten is veranderd. In velerlei opzicht is het presidentschap van Trump – met inbegrip van alle chaos – een gevolg van die veranderingen.
  Wat is er aan de hand? De wereld is meer multipolair aan het worden. Geleidelijk aan verzwakt de economische positie van de Verenigde Staten – een proces dat al langer bezig is dan de eerder genoemde twintig jaar. Ook in politiek opzicht is de Amerikaanse status verminderd. En er zijn nieuwe grote mogendheden aangetreden. Deze verschuivingen ondergraven de mogelijkheden van de Verenigde Staten om de wereld naar westers, liberaal model te ordenen. 
  Trumps kandidatuur en verkiezing zijn vooral een gevolg van deze ontwikkelingen. Van de teloorgang van de Amerikaanse industrie (en de bijbehorende werkloosheid en malaise). Maar ook van de desastreuze militaire avonturen van de afgelopen vijftien jaar in Afghanistan en Irak. Van het verlies aan Amerikaans internationaal gezag. Van alle frustratie die daaruit ook in Amerika zelf voortvloeit (en natuurlijk ook van de onwil van de Democraten om voor de verliezers in de Amerikaanse samenleving op te komen).
  Trump heeft aangekondigd de Verenigde Staten weer ‘groot’ te zullen maken. Bedrijven die naar het buitenland zijn vertrokken, moeten terugkeren. Dat ging er bij een deel van het Amerikaanse electoraat wel in. Maar er zal niet veel van terechtkomen. Ook de Amerikaanse president is niet in staat langetermijnontwikkelingen in de wereldeconomie en wereldpolitiek zomaar even terug te draaien.
  Bovendien is Trumps regering vooralsnog een volstrekte janboel. Na enkele spectaculaire mislukkingen lijkt nu vooral de verdere ‘neoliberalisering’ van de economie (verlaging van de belastingen, deregulering, vermindering van het minimumloon) het hoofddoel. Van deze Reaganomics-variant zullen de laagstbetaalden en werklozen in de VS alleen niet veel wijzer worden.
  ‘America great again’? Trumps uitspraken en acties hebben de leidende positie van de VS alleen maar verder verzwakt. Dat zie je bijvoorbeeld aan het groeiende ongemak in West-Europa, met name bij bondgenoot Duitsland. En aan de oplopende spanningen met China. Trump is er ook in geslaagd trouwe bondgenoten als Australië en Canada van zich te vervreemden. Zelfs in Moskou begint de aanvankelijk opgewekte stemming om te slaan.
  Er is alle reden om meewarig naar het schouwtoneel in Washington te kijken. Maar de verdere verzwakking van de Amerikaanse positie in de wereldpolitiek en -economie kan grote gevolgen hebben. Sommige historici en economen voorspellen het einde van een periode van globalisering en vrijhandel. Trumps plannen (‘America first’) neigen immers sterk naar protectionisme. Mede daardoor zullen dergelijke opvattingen ook elders verder oprukken.
  Er valt wel wat te zeggen voor deze redenering. Kijk naar de geschiedenis. Vaak zijn periodes van internationale stabiliteit en vrijhandel het product van de dominantie van een grote mogendheid. Groot-Brittannië in een groot deel van de negentiende eeuw bijvoorbeeld. En de Verenigde Staten na de Tweede Wereldoorlog (met uitzondering van het communistische de wereld).
  Toch is het voorbarig om het einde van de naoorlogse economische orde aan te kondigen. Op de laatste bijeenkomst van de G-20 (de 19 belangrijkste staten in de wereld plus de EU), stonden de Verenigde Staten alleen in hun afwijzing van globalisering en vrijhandel. Het was opvallend dat China juist een uitgesproken voorstander bleek van een open wereldeconomie.
  Maar er kleven meer risico’s aan Trumps presidentschap. Hij heeft aangekondigd de Amerikaanse militaire suprematie te willen herstellen. De defensiebegroting moet met tientallen miljarden omhoog. Dat is geheel in strijd met uitspraken over samenwerking (‘deals’) en militaire beperking tijdens zijn verkiezingscampagne. En zoals de Britse historicus Paul Kennedy al heeft betoogd (in The Rise and Fall of the Great Powers) is het een gevaarlijke en zinloze strategie. Het opvoeren van militaire macht kan de economische en politieke teloorgang van een grote mogendheid niet tegenhouden. Integendeel. Het kan de verhoudingen in de wereld alleen wel instabieler en grimmiger maken.

Wat idealisme, alstublieft

(verschenen in Maarten!, nr. 4, december 2016/jenuari 2017)

Na het einde van de Koude Oorlog heersten in het Westen hooggespannen verwachtingen: het leek mogelijk de wereld safe for democracy te maken. Dat optimisme leidde in de jaren negentig tot overtrokken ambities, met zeer omstreden resultaten: de drastische uitbreiding van de NAVO en de EU (tot op het grondgebied van de voormalige Sovjet-Unie), de invoering van de euro, en niet te vergeten de militaire ingrepen in Joegoslavië, en later in Afghanistan en Irak.
  Deze ambitieuze fase ligt achter ons. In de afgelopen tien jaar is de stemming in de westerse hoofdsteden sceptischer en pessimistischer geworden. Dat heeft onder andere te maken met de opkomst van nieuwe machtscentra en met het feit dat de invloed van het Westen tanende is. Dat laatste is zichtbaar aan de westerse militaire ingrepen (zoals in Afghanistan en Irak), die grotendeels op een debacle zijn uitgelopen. Financiële problemen en daaruit voortvloeiende bezuinigingen hebben de westerse macht aangetast. Bovendien zijn rechts-populistische partijen in opmars die pleiten voor eigenbelang en autarkie.
  Nederland ging in de jaren negentig mee in de flow van liberaal-internationalistische dadendrang. De Nederlandse regeringen steunden de uitbreiding van NAVO en EU, en de introductie van de euro. De strijdkrachten werden omgevormd tot een expeditionaire organisatie die overal in de wereld kon deelnemen aan zogeheten ‘humanitaire missies’ en aan de War on Terror.
  Maar na de eeuwwisseling ontstond steeds meer ongemak, ook in Den Haag. Nederlanders oordeelden sceptischer over Europa, mede onder druk van de Lijst Pim Fortuyn, en Nederland stelde zich steeds korzeliger op over de uitbreiding van de EU. Steeds vaker werd de Nederlandse houding binnen de EU gerechtvaardigd met een beroep op economische belangen.

  De deelname aan militaire missies – aanvankelijk breed gesteund door de Tweede Kamer – leidde in de afgelopen jaren in toenemende mate tot meningsverschillen en kritiek. Wat hadden eerdere inspanningen eigenlijk opgeleverd? De commissie-Davids oordeelde in 2010 kritisch over de Nederlandse bijdrage aan de pacificatie van Irak. Die was onder meer strijdig geweest met het internationaal recht.
  Ook over meer idealistische aspecten van het buitenlands beleid groeide de twijfel. Steeds meer deskundigen trokken de doelmatigheid van ontwikkelingssamenwerking in twijfel. De regeringen-Rutte bezuinigden vervolgens vele honderden miljoenen op dit deel van de begroting.
  Ministers van Buitenlandse Zaken verwezen steeds vaker naar het eigenbelang, en met name het economisch belang, als richtsnoer voor het buitenlands beleid. VVD-minister Uri Rosenthal (2010-2012) hamerde er vanaf zijn aantreden op: het Nederlandse economisch belang zou veel centraler moeten staan. Zijn opvolger, de PvdA-politicus Frans Timmermans, klonk aanvankelijk idealistischer. Maar bij zijn aftreden verklaarde hij dat de concentratie op ‘economische diplomatie’ goed was. We moesten de wereld bovendien ‘meer zien zoals zij is en minder zoals wij wensen dat zij is’.
  Ook op het terrein van ontwikkelingssamenwerking staat het economisch belang inmiddels centraal. In het tweede kabinet-Rutte werd de PvdA-politica Lilian Ploumen minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking – een opmerkelijke dubbelfunctie. Critici meenden op goede gronden dat Ploumens beleid op het terrein van ontwikkelingssamenwerking langzamerhand neerkwam op exportbevordering.
  De buitenlands politiek is korzelig geworden en in zichzelf gekeerd. Er lijken geen langetermijnvisies meer te bestaan. Nu is het gezien de onzekere ontwikkelingen in de wereldpolitiek wellicht praktisch af te wachten en de nadruk te leggen op het eigenbelang, en bovendien hebben we niet veel in de melk te brokkelen. Maar eigenbelang is geen duidelijk richtsnoer voor beleidsvorming. Al was het maar omdat vaak moeilijk valt vast te stellen wat het Nederlands belang nu precies voorschrijft. Is voortzetting van het europroject – als dat bijvoorbeeld weer omvangrijke steunmaatregelen vraagt – in het Nederlands belang? Of niet? Het antwoord op zulke vragen hangt sterk af van visie, van toekomstbeelden en zelfs idealen.
  Dat betekent niet dat we moeten terugkeren naar de expansionistische ambities van de jaren negentig. Maar een visie op met name de toekomst van Europa is geboden, en op de relatie van de EU met de grote mogendheden. Bovendien is het een cruciale vraag hoe Europa kan helpen geweld terug te dringen (zeker in de nabijgelegen regio’s). Om op dat punt iets te kunnen betekenen – en de westerse invloed niet aan de Verenigde Staten te laten – is onder meer effectieve EU-samenwerking geboden, desnoods met een kleinere groep lidstaten, liefst onder leiding van Duitsland (dat in de afgelopen jaren vaak verstandig heeft opgetreden).

Een Democratische havik

(verschenen in Maarten!, september/oktober, 2016)

Toen Haagse politici op de televisie een keer werd gevraagd naar hun voorkeur, waren ze het – op Wilders na – eigenlijk allemaal met elkaar eens: liever Clinton dan Trump. Moet je toch voorstellen dat Trump president wordt van het machtigste land op aarde! Trumps vinger achter de nucleaire trekker! Dat zou de wereld er niet veiliger op maken, zo luidde het in Den Haag. Dan maar liever Hillary. Zij is immers een verstandige Democraat en heeft bovendien ruime bestuurlijke ervaring, zeker op internationaal-politiek gebied. Ze is tenslotte een (invloedrijke) first lady geweest, senator en minister van Buitenlandse Zaken. 
  Klopt deze redenering? Is een Democraat in het Witte Huis een garantie voor vrede? Is een Republikein oorlogszuchtiger? Het lijkt, in elk geval tijdens de Koude Oorlog, eerder andersom. Democratische presidenten waren toen meer geneigd militair in te grijpen dan Republikeinse. Het waren Democraten die besloten tot de massale inzet van troepen in Korea en Vietnam. Wellicht met fraaie bedoelingen, zoals de verdediging van democratie, maar ze trokken ten strijde. Republikeinse presidenten waren wat ‘isolationistischer’ en terughoudender met de inzet van militairen, ondanks hun conservatieve en anticommunistische ideeën.
  Een interessant geval is de Republikeinse president Richard Nixon (1969-1974). Zonder twijfel een fervent anticommunist. Maar onder Nixons leiding, en die van zijn adviseur Henry Kissinger, bloeide de detente tussen de VS en de Sovjet-Unie op. Nixon en Kissinger maakten een een einde aan de aanwezigheid van Amerikaanse grondtroepen in Vietnam, die onder de Democratische president Johnson enorm waren toegenomen. Maar ze waren zonder twijfel ook schurken. Zo waren ze in 1973 direct betrokken bij de coup tegen de Chileense president Allende. Maar ze sloten uiteindelijk vrede in Vietnam. En ze zochten toenadering tot de aartsvijanden in Moskou, zoals de Republikeinse president Dwight Eisenhower (1953-1961) dat ook had gedaan tijdens de jaren van ‘vreedzame coëxistentie’.
  Democratische presidenten gedroegen zich meer ‘interventionistisch’. Ook Clinton is een typische liberal interventionist. Ze is bij verschillende gelegenheden een voorvechter geweest van militair ingrijpen. Zo was ze als first lady een pleitbezorger van de oorlog tegen Servië omwille van Kosovo, en later ook een uitgesproken voorstander van ingrijpen in Afghanistan en Irak. Als minister van Buitenlandse Zaken was ze onder meer verantwoordelijk voor de luchtaanvallen op Libië en de liquidatie van het Khadaffi-bewind, met alle desastreuze gevolgen van dien.
  Nu is Trump natuurlijk geen gewone Republikein, maar een megalomane opschepper. En een volstrekte outsider. Het valt niet gemakkelijk te voorspellen wat voor buitenlands beleid hij zou voeren. Daarover maakt hij veelal alleen losse opmerkingen. Zo wil hij ‘deals’ sluiten met Rusland en China, hoewel hij de Chinezen ook beticht van concurrentievervalsing. Hij wil de NAVO-partners veel meer laten betalen voor de Amerikaanse militaire bescherming en hij is tegen het Amerikaans-Europese vrijhandelsverdrag TTIP (Clinton sinds kort overigens ook).
  Trump wil een einde maken aan de neiging tot militair ingrijpen. Maar hij wil ook IS vernietigen, zij het in samenwerking met Assad en de Russen. Alles bij elkaar vormt dat geen coherent geheel. Maar afgezien van het ‘platbombarderen van IS’ neigt Trump toch meer naar de Republikeinse traditie van militaire terughoudendheid en politiek isolationisme.
  Clintons beleid valt gemakkelijker te duiden. Zij heeft al gezegd dat de Verenigde Staten hun leidinggevende rol in de wereld moeten versterken. Daartoe moet ook de Amerikaanse militaire macht worden ingezet. Bijvoorbeeld in Syrië. Clinton heeft ook te kennen gegeven de confrontatie met China en Rusland niet uit de weg te gaan. Zo vindt ze dat Oekraïne lid moet kunnen worden van de NAVO. (Het is niet onbegrijpelijk dat de Russen de voorkeur lijken te geven aan Trump.) Clinton is bovendien sceptisch over de recentelijk gesloten overeenkomst met Iran, dat nadrukkelijk onder de duim moet worden gehouden. Israël daarentegen kan wat haar betreft op voortdurende Amerikaanse steun rekenen. Clinton is, kort gezegd, een ‘Democratische havik’. 
  Op het terrein van de internationale politiek is de keuze tussen Trump en Clinton dus niet zo gemakkelijk als het zich op het eerste gezicht laat aanzien. Er zijn vele redenen om niet op Trump te stemmen: zijn onbehouwen en impulsieve macho-optreden, zijn platte rechts-populistische retoriek, zijn uitspraken over de islam en migranten. Bovendien heeft hij nauwelijks bestuurlijke ervaring. Probleem is alleen dat het alternatief, zeker als het gaat over buitenlands beleid, ook verre van aangenaam is.

____________________________________________________________

Laat Assad met rust – voorlopig
(verschenen in Maarten!, juni/juli 2016)

Minister van Buitenlandse Zaken Koenders is van mening dat de Syrische president Assad zich voor de strafrechter zou moeten verantwoorden voor zijn daden. Assad heeft ‘bloed aan zijn handen’. Hij zou dus door het Internationaal Strafhof in Den Haag moeten worden berecht. Koenders acht Assad de hoofdschuldige van alle ellende in Syrië. ‘Ik weet precies wie er verantwoordelijk is voor de grote migratiestromen van dit moment,’ zo zei Koenders enkele weken geleden. Dat was Assad. Zolang Assad aan de macht was, bestond er geen kans op vrede, aldus de minister.
  Natuurlijk is Assad een schurk. Het probleem is dat de meeste strijdgroepen in Syrië worden geleid door schurken. En natuurlijk zou het mooi zijn als al die schurken terecht zouden moeten staan. Maar voorlopig is dat helemaal niet aan de orde. De eerste prioriteit in Syrië moet zijn het geweld te beteugelen, door een wapenstilstand, door safe areas in te stellen. De burgerbevolking moet worden geholpen een weer enigszins menswaardig bestaan op te bouwen. Daartoe moeten de strijdende partijen worden overgehaald in te stemmen met onderhandelingen.
  Lange tijd hebben de westerse landen vooral gestreefd naar de val van het regime-Assad. Dat gold ook voor Nederland. Die opstelling heeft bijgedragen aan een nodeloze verlenging van alle gewelddadigheid en ellende.
Door het recente Russische luchtoffensief is het streven naar een volledige militaire ineenstorting van het Assad-bewind uitzichtloos geworden. Mede daardoor is er nu wel ruimte voor diplomatiek overleg. En tot ieders verbazing hebben eerste onderhandelingen geleid tot een zekere beperking van het oorlogsgeweld. Dat biedt hoop. Het zou verstandig zijn álle strijdende partijen bij volgende onderhandelingen te betrekken – als die althans werkelijk tot overleg bereid zijn. Mogelijkerwijs zal ook IS bij die partijen horen.
  Dat betekent dat Assad voorlopig zal blijven optreden als politiek leider van de Syrische staat, althans van de gebieden die onder controle staan van het Syrische leger. Om de Syrische regering te bewegen tot politieke inschikkelijkheid – alleen al om bij te dragen aan het verstrekken van hulp aan de burgerbevolking – is het dus erg onverstandig als de westerse landen bij voorbaat eisen dat Assad het veld ruimt en zelfs voor het gerecht zal worden gesleept.
  Maar mag Assad er dan mee wegkomen? Mogen schurken vrijuit gaan? Zijn de topnazi’s na ’45 soms ongemoeid gelaten? Nee, natuurlijk niet. Maar laten we niet vergeten dat de vervolging van de nazitop onderdeel was van een totale Duitse overgave. Het was in zekere zin dus ‘overwinnaarsrechtspraak’. Geallieerde oorlogsmisdaden, zoals de terreurbombardementen op Duitse steden en hun burgers, zijn nooit bestraft.
Van een totale overgave is in het huidige Syrië geen sprake. Er zullen vooralsnog geen overwinnaars zijn, laat staan ‘totale’ overwinnaars, die hun strafrechtelijke principes aan de verliezers kunnen opleggen.
  En dan is er nog het volgende. Berechting van politiek schurken is vaak erg onbevredigend, ook voor de slachtoffers van die schurken. Het proces en de executie van Saddam Hoessein waren eigenlijk een beschamende aangelegenheid. En zelfs de processen voor het Internationaal Strafhof, of het Joegoslavië Tribunaal, bevredigen het rechtsgevoel nauwelijks. Dat komt onder andere doordat ze vaak erg lang duren. De voormalige Joegoslavische president Slobodan Milosevic zat vier jaar in zijn Schevingse cel en overleed daar voordat een uitspraak kon worden gedaan. En als het wel tot een uitspraak komt, kan die tegenvallen. De voormalige leider van de zogenoemde Republika Srpska, Radovan Karadzic, werd na een proces van acht jaar veroordeeld tot veertig jaar gevangenisstraf. Maar verschillende slachtoffers, of familieleden van slachtoffers, reageerden geschokt. Veertig jaar was te weinig. Waarom geen levenslang?
  De verwerking van oorlogsgeweld, en de opbouw van een nieuwe post-conflictsamenleving, zijn altijd een buitengewoon pijnlijk en moeilijk proces. Strafprocessen kunnen daarbij een nuttige rol spelen, maar kunnen ook leiden tot frustratie en ergernis – over de uitgesproken straffen, over mogelijk eenzijdige vervolging (waarom alleen Assad?), en over alle tijdens de strafprocessen te berde gebrachte argumenten.
  Er is dus alle reden om vooralsnog te zwijgen over de vervolging van de hoofdschuldigen in Syrië. Ook minister Koenders kan – voor zover hij iets in de melk te brokkelen heeft – beter aandringen op onderhandelingen, op compromissen en de beëindiging van het oorlogsgeweld.

____________________________________________________________

Universeel = universeel
(verschenen in Maarten!, april 2016)

De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948 bevat een revolutionaire gedachte: alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren, ongeacht hun politieke status, geslacht of geloof. Elk individu heeft bepaalde rechten, zoals de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid zich te kunnen verplaatsen. Hij of zij moet gevrijwaard zijn van statelijke willekeur, onderdrukking en inmenging in persoonlijke aangelegenheden. Ieder mens heeft ook sociale rechten: het recht op arbeid, onderwijs en een fatsoenlijke levensstandaard.
    De Universele Verklaring bleek snel een dode letter, want in 1948 ontbraken de middelen om naleving af te dwingen. In de eerste jaren van de Koude Oorlog verdwenen de mensenrechten naar de achtergrond, maar tegen het einde van de jaren zestig werden ze herontdekt. Allereerst van onderop. In verscheidene landen ontstonden bijvoorbeeld afdelingen van Amnesty International. Ook andere niet-gouvernementele organisaties kondigden aan zich sterk te gaan maken voor onderdrukten en vervolgden.
   Vanaf midden jaren zeventig werden de mensenrechten steeds vaker gebruikt als diplomatiek instrument. Westerse politici eigenden zich de mensenrechten min of meer toe. Ze begonnen er steeds vaker naar te verwijzen om het westerse gelijk te onderstrepen en niet-westerse staten in een kwaad daglicht te stellen.
    Dat werd in de jaren negentig alleen maar erger. Na de ineenstorting van de Sovjet-Unie heerste in veel westerse landen een optimistische en ambitieuze stemming. Het leek tijd de liberale democratie en de vrije markt verder over de wereld te verspreiden, desnoods met geweld. De mensenrechten werden nu ook aangeroepen om omstreden militaire operaties te rechtvaardigen, zoals de bezetting van Afghanistan en Irak. Dat deed de reputatie en wervingskracht van de mensenrechten – zeker buiten het Westen –  geen goed. Menig ‘humanitaire interventie’ had een rampzalige afloop. Na dictatuur kwam geen democratie, maar chaos en geweld. De mensenrechten werden in de post-dictatoriale omstandigheden vaak nog ernstiger geschonden dan daarvoor. Burgers waren de grote verliezer.
   Ruim dertig jaar na het einde van de Koude Oorlog is het westers optimisme getemperd. Verschillende commentatoren menen zelfs dat de tijd van westerse dominantie voorbij is. Nieuwe grootmachten, zoals China, zijn minder geïnteresseerd in de mensenrechten. In Den Haag wordt wat sceptischer naar de wereldpolitiek gekeken. De mensenrechten boeten in aan belang, zo concludeerde CDA-leider Sybrand van Haersma Buma in 2012. In onze handelsbetrekkingen met China moeten we bijvoorbeeld niet teveel zeuren over mensenrechten, meent hij.
   Maar ook in eigen land nemen we het steeds minder nauw met de mensenrechten. Zo stelde VVD-leider Halbe Zijlstra voor om asielzoekers aan een sober rantsoen te onderwerpen. Zo’n plan is in strijd met het uitgangspunt van de Universele Verklaring. Dat geldt ook voor de wens van sommige Oost-Europese landen om alleen christelijke vluchtelingen op te nemen.
    Maar Buma heeft wel begrip voor de Oost-Europese hardvochtigheid tegenover asielzoekers. Hij wil af van het beginsel dat vluchtelingen over dezelfde mensenrechten beschikken als ‘normale burgers’: ‘Dat is niet meer van deze tijd,’ zo stelt hij. Een hypocriete redenering. Met ‘deze tijd’ bedoelt Buma: nu vluchtelingen ook in groten getale naar Europa komen. In andere delen van de wereld is al langer sprake van ernstige vluchtelingenproblemen, maar dat was nooit een argument om de mensenrechten op te schorten.
    Als het over mensenrechten gaat, heeft Nederland anderen altijd graag de maat genomen. Maar als we zelf op de mensenrechten worden aangesproken, reageren we geërgerd. In de afgelopen jaren is Den Haag verschillende malen door Europese mensenrechtenorganisaties op de vingers getikt. Dat ging onder meer over de behandeling van asielzoekers. ‘Waar bemoeien die Europese instanties zich mee?’: zo reageerde de Nederlandse regering op zulke verwijten.
    Enige zelfreflectie is niettemin gepast. De mensenrechten hebben niets van hun universele relevantie verloren – ook niet voor Nederland. Niet zozeer om dubieuze militaire acties te rechtvaardigen, zoals het opvoeren van de bombardementen op Syrië, maar vooral om onze eigen normen en praktijken kritisch tegen het licht te houden. Laten we de boodschap van 1948 niet vergeten: elk individu is een wereldburger die bepaalde rechten heeft. Dat principe is vooral bedoeld om kwetsbare groepen te beschermen, zoals vluchtelingen en asielzoekers. Ook die hebben recht op privacy, een fatsoenlijke levensstandaard, onderwijs en arbeid.

___________________________________________________________

Einde van een haven des behouds
(verschenen in Maarten!, december 2015)

Vluchtelingen zijn in Nederland eigenlijk niet welkom. De eerste opvang is sober, en ze zullen lang op hun verblijfspapieren moeten wachten. Dat staat in een door staatssecretaris van Veiligheid en Justitie Klaas Dijkhoff ondertekende brief waarmee asielzoekers in Nederland worden ontvangen. Mede op grond van EU-afspraken zal Nederland dit jaar enkele tienduizenden vluchtelingen opnemen. Maar dat doen we met tegenzin, en dat moet de asielzoekers zelf volgens sommigen ook duidelijk worden gemaakt.
   VVD-fractievoorzitter Halbe Zijlstra meent zelfs dat vluchtelingen voor langere tijd op een karig rantsoen gezet moeten worden. Anders wennen ze aan onze welvaart en blijven ze te lang. Als het te goed bevalt, komen er bovendien nog meer vluchtelingen. En dat is niet de bedoeling. De PVV wil de grenzen het liefst helemaal sluiten.
   Deze wantrouwige en korzelige houding manifesteerde zich voor het eerst na de Eerste Wereldoorlog. Tijdens die oorlog was Nederland nog bereid, zij het op sobere wijze, tijdelijk honderdduizenden Belgen op te vangen. Na de oorlog werd het beleid steeds restrictiever. In de eerste naoorlogse jaren zwierven miljoenen, vaak ‘stateloze’ vluchtelingen door Europa. De Volkenbond trachtte hiervoor een oplossing te vinden, maar de Nederlandse regering bleek nauwelijks bereid daaraan mee te werken.
   In de jaren dertig stelde de Nederlandse regering zich ook hardvochtig op tegenover Duitsers die het naziregime ontvluchtten. Sommigen van hen werden zelfs weer aan de Duitse autoriteiten overgedragen. Ook veel Duitse Joden werd toegang ontzegd. De Nederlandse houding werd ingegeven door de wens om de moeizame economische relaties met Hitler-Duitsland niet verder in gevaar te brengen. Bovendien meenden sommige beleidsmakers dat de komst van Joodse vluchtelingen het antisemitisme zou aanwakkeren. 
   Ook na de Tweede Wereldoorlog bleef Nederland weinig toeschietelijk. Regeringsdeelname van de PvdA maakte daarin geen verschil. Toen tijdens de Hongaarse Opstand van 1956 honderdduizenden Hongaren hun land verlieten, was de rooms-rode regering-Drees III aanvankelijk niet bereid er meer dan tweeduizend naar Nederland te laten komen. Drees ging pas akkoord met een iets hoger aantal als de betreffende Hongaren schriftelijk zouden verklaren naar elders door te reizen. De opvang zou bovendien ‘niet al te perfectionistisch’ moeten zijn en niet te veel mogen kosten.
   Toen een militaire staatsgreep in september 1973 in Chili een einde maakte aan de regering van Salvador Allende, was het aanvankelijk niet anders. De ambassadeur in Santiago kreeg vanuit Den Haag instructie de deuren van de ambassade gesloten te houden voor asielzoekers. Pas toen de pers daar lucht van kreeg en minister Max van der Stoel door het parlement op het matje werd geroepen, werden de instructies aangepast.
   Ook midden jaren negentig, toen jaarlijks tienduizenden vluchtelingen uit Joegoslavië naar Nederland kwamen, waren de publieke reacties vaak afwijzend. Daar moet aan worden toegevoegd dat de consternatie toen veel minder groot was dan nu.
   De afwijzende opstelling tegenover vluchtelingen is in veel opzichten ongegrond. Na de Tweede Wereldoorlog bleek Nederland probleemloos in staat ruim 300.000 Indische Nederlanders op te vangen. Dat gold ook voor de komst van tienduizenden Surinamers, die er rond de Surinaamse onafhankelijkheid in 1975 de voorkeur aan gaven zich in Nederland te vestigen.
   Het kan dus anders. Daar zijn ook praktische voorbeelden van. Eind jaren zeventig probeerden honderdduizenden Vietnamezen – vaak per boot – het communistische Vietnam te verlaten. Dat leidde tot dramatische toestanden. Op een VN-conferentie werd vervolgens ook de westerse landen gevraagd vluchtelingen op te nemen. De regering-Van Agt I ging daarmee akkoord. Zo’n 16.000 Vietnamezen hebben ongemerkt hun plek in de Nederlandse samenleving gevonden.
   Bij andere gelegenheden voerden angst en wantrouwen de boventoon. Bevinden zich geen communisten onder de vluchtelingen? Deugen de asielzoekers wel? Kan de Nederlandse samenleving de komst van duizenden vluchtelingen wel aan? Wanneer gaan ze weer terug?
   In het verleden was de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden een haven des behouds voor religieus en politiek vervolgden. Van die reputatie is helaas niet veel meer over. Vluchtelingen zijn hier meestal niet welkom, of het nu gaat om Duitse Joden, Hongaren of Syriërs. Ze moeten het liefst terug naar hun land of regio, ook al zijn ze hun leven daar niet zeker. Of ze zoeken hun heil maar elders.