Amerikaanse verkiezingen

Wie – zoals ik – de afgelopen zes weken door de Verenigde Staten heeft gereisd, is natuurlijk geconfronteerd met de presidentsverkiezingen. Mijn conclusie: het is nog erger dan ik dacht. De strijd om de gunst van het Amerikaanse electoraat, is ontaard is een ordinaire partij moddergooien. Trump en zijn team gaan daarin zonder twijfel het verst, al is zijn toon iets gematigder geworden na een wisseling in de top van zijn campagneteam. Maar ook de Democratische campagne richt zich sterk op de persoon van Trump.
Daarbij wordt niet alleen getracht de integriteit (en zelfs de gezondheid) van de tegenkandidaat in twijfel te trekken, maar ook die van hun belangrijke adviseurs en supporters. Voor zover politieke kwesties aan de orde komen, gaat het vooral om binnenlandse verhoudingen: om banengroei, om de betekenis van de zwarte kiezer, belastingen, migratie. Maar van een serieus debat is geen sprake. Het is allemaal platte retoriek. Beide kandidaten doen beloften waarvan iedereen weet dat die maar deels – of helemaal niet – kunnen worden waargemaakt.
Internationale vraagstukken spelen nauwelijks een rol. Het Clinton-kamp benadrukt dat het levensgevaarlijk is, als Trump president en opperbevelhebber van de Amerikaanse strijdkrachten zou worden. Maar laten we niet vergeten dat Clinton een ‘Democratische havik’ is als het gaat om buitenlands beleid. Ook geen prettig vooruitzicht. (zie daarover mijn column in laatste tijdschrift Maarten!.)
Het is niet zo verwonderlijk dat de gemiddelde Amerikaan niet zoveel fiducie heeft in de nieuwe president. Deze wordt al bij voorbaat gewantrouwd. Clinton doet het in de peilingen wat dat betreft iets beter dan Trump, maar de overgrote meerderheid van de Amerikanen beschouwt ook haar als onbetrouwbaar. Dat is verontrustend, omdat de nieuwe president buitenlands beleid zou willen gebruiken om zijn/haar populariteit te verhogen.
Let wel, dit zijn presidentsverkiezingen in de mogendheid die zich graag presenteert als de belangrijkste pleitbezorger van mensenrechten en democratie. Een mogendheid die andere staten in dit opzicht vaak de maat neemt. Recentelijk sprak president Obama zich bijvoorbeeld uiterst laatdunkend uit over de politieke verhoudingen in Rusland (naar aanleiding van opmerkingen Trump). Op zichzelf zijn daar goede gronden voor. Maar daaraan moet dan wel worden toegevoegd dat ook de huidige Amerikaanse presidentsverkiezingen een weinig verheffend schouwspel vormen.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Internationaal Olympisch Comité

Het Internationaal Olympisch Comité (IOC) is van alle kanten aangevallen omdat het Rusland niet volledig heeft uitgesloten van deelname aan de Spelen in Rio. Het oordeel over deelname van Russische sporters is door het IOC overgelaten aan de internationale sportfederaties. Dat heeft er al met al toe geleid dat de meeste Russische sporters toch konden deelnemen. Ongeveer een derde is na alle commotie thuisgebleven.
Het optreden van het IOC is ingegeven door politieke overwegingen, zo werd door critici gezegd, en heeft niets met sport te maken. Rusland is te machtig en belangrijk om zomaar de deur te wijzen. Dat is allemaal ‘meer politiek dan sport’, klaagde NRC Handelsblad in een redactioneel commentaar. Het IOC heeft door dit politieke gemarchandeer veel van zijn gezag verloren, zo meende Het Parool.
Dergelijk kritiek is naïef. Het IOC heeft altijd in de eerste plaats politiek bedreven. De toewijzing van de Spelen is veelal politiek van aard geweest: in de context van de détente werden de Spelen van 1980 aan de Sovjet-Unie toegewezen; later werd ook China door het IOC als grote mogendheid erkend; de huidige Spelen vinden voor het eerst plaats in een Latijns-Amerikaans land. Dat zijn allemaal politieke beslissingen geweest.
De Spelen zijn bovendien altijd ontsierd geweest door uitsluitingen en boycots. Lange tijd mocht de Sovjet-Unie niet meedoen. In 1952 neemt de SU voor het eerst deel. Zuid-Afrika werd in de jaren zestig en zeventig buitengesloten. Vele staten hebben de Spelen om allerlei redenen geboycot. De Westerse landen weigerden mee te doen in 1956 vanwege Hongarije. In 1976 boycotte een reeks Afrikaanse en Arabische landen vanwege Westerse sportcontacten met Zuid-Afrika. In 1980 deden de Westerse landen niet mee aan de Spelen in Moskou. In 1984 boycotten de Sovjetstaten de Spelen in Los Angeles.
Het IOC bedrijft in de eerste plaats politiek. Het is vanuit dat besef verstandig geweest om Rusland niet volledig uit te sluiten. Dat zou alle Russische sporters op een hoop hebben gegooid. En het zou een soort oorlogsverklaring aan Rusland zijn geweest.  Deze ‘nucleaire optie’, zo formuleerde IOC-voorzitter Thomas Bach het, zou alleen maar ‘dood en verderf’ hebben gezaaid. Dat is erg sterk geformuleerd, maar volledige uitsluiting zou de verhoudingen tussen de Westerse landen en Rusland inderdaad verder op de spits hebben gedreven.
Dat wil overigens niet zeggen dat de Russen het niet erg bont hebben gemaakt, zoals de recente rapporten van de World Anti-Doping Agency aantonen. Dat rechtvaardigt een grondig wantrouwen tegenover Russische sportsuccessen. Maar de verontwaardiging over het Russische dopinggebruik is soms ook hypocriet. Topsport is doordrenkt van doping. Uit hertests van bloedmonsters blijkt dat vele medaillewinnaars van vorige Spelen doping gebruikten. Sommige sporters, zoals de Nederlands atlete Ria Stalman hebben dat ook ruiterlijk toegegeven. Hebben die allemaal hun medailles ingeleverd?

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Koenders en Assad

Minister van Buitenlandse Zaken heeft zich opnieuw uitgesproken over de situatie in Syrië. Hij heeft opiniestukken geschreven voor de Britse krant The Independent en later voor de Volkskrant. Daarin roept hij de internationale gemeenschap op in te grijpen teneinde een ‘nieuw Srebrenica’ te voorkomen. Daarbij doelt hij vooral op de situatie in en rond de door het Syrische leger omsingelde stad Aleppo. (De vergelijking met Srebrenica is in veler opzicht ongelukkig.) Ook waarschuwt Koenders er wederom voor dat het Assad-regime niet ‘in de kaart mag worden gespeeld’ door de focus op de bestrijding van IS.
De Nederlandse diplomaat Koos van Dam heeft een geheel andere mening. Van Dam is voormalig gezant in Syrië en volgt de ontwikkelingen in dat land al jaren op de voet. Hij is tegen een ‘principieel-ethische’ benadering van de burgeroorlog. Natuurlijk is Assad een schurk, maar beteugeling van het geweld in Syrië kan alleen worden gerealiseerd als het Assad-regime meewerkt. Dus moet er met de Syrische regering worden gepraat. Zoals ik in Maarten (juni/juli 2016) betoogde: ook Koenders recente pleidooi om Assad als oorlogsmisdadiger voor het Internationaal Gerechtshof te slepen is onder de huidige omstandigheden erg onverstandig.
Afgezien van de primaire noodzaak van het zoveel mogelijk beëindigen van alle gewelddadigheden, is er volgens Van Dam nog een reden om met Assad te praten. De bestrijding van IS heeft prioriteit. IS bedreigt West-Europa, het regime van Assad niet. Assad is zelfs een bondgenoot tegen IS. Net als de Russen. Een reden temeer om ook Rusland niet steeds meer tegen ons in het harnas te jagen. Ook dat vloeit vaak voort uit wat Van Dam een ‘principieel-ethische’ benadering noemt.
Nu is het niet vanzelfsprekend om met de Syrische regering een akkoord te bereiken. Maar de omstandigheden in Syrië zijn aan het veranderen. Rusland heeft duidelijk gemaakt Assad niet te laten vallen; het Syrische leger is weer in opmars; IS verliest veel terrein; de Koerden daarentegen breiden hun invloed uit. Het uitzicht op een afzienbare ineenstorting van het Assad-bewind is daarmee verdwenen. Dat leidt ertoe dat verschillende betrokken partijen (Turkije, de VS) wellicht meer geneigd zijn om met Assad tot een vergelijk te komen.
Koenders pleidooi voor internationaal optreden gecombineerd met verhoogde druk op de regering-Assad, is daarom lichtzinnig. Dat geldt helemaal voor militair ingrijpen. Zoals Van Dam herhaalt, dat zou de situatie in Syrië alleen maar erger maken. De Westerse interventies in het Midden-Oosten hebben tot nu toe desastreuze gevolgen gehad. Wat wil Koenders nu eigenlijk bereiken? Waarom moet Nederland zich op deze wijze profileren? En waarom stuurde Koenders zijn stuk juist naar een Britse krant? Hoopt hij in Londen gehoor te vinden? (Zie ook eerdere blog over Brits leiderschap)

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen